Zoeken
 
 

Geef resultaten weer als:
 


Rechercher Geavanceerd zoeken


5 VWO - Heel Unité 6a

Go down

5 VWO - Heel Unité 6a

Bericht  SoepVanDeDag op do sep 08, 2011 7:28 pm

Unité 6a

Exercise 1
1. Wat wil de schrijver met deze zin zeggen ?
2. Wat leert deze passage ons over… ?
3. Hoe kunnen wij het gegeven antwoord van de schrijver op de vraag samenvatten ?
4. Wat kan men concluderen uit de laatste alinea over… ?
5. Wat wil de auteur laten zien in de 6e alinea ?
6. Wat is de functie van de 5e alinea
7. Door welke zin kun je deze opmerking vervangen ?
8. Hoe slaan deze zinnen terug op de inhoud van de voorgaande
zinnen ?
9. Wat laat deze studie zien ?
10. Met welk woord zou deze zin hebben kunnen beginnen ?
11. Op welke toon worden de woorden van Eduardo gezegd ?
12. Op welke toon spreekt de schrijver in deze passage ?

Exercise 2
1. A
2. getuigenissen

Exercise 3
1. een erfenis
2. een invloed
3. de as
4. de gelegenheid
5. gereedschap
6. beu worden
7. de verwesterlijking
8. daarentegen
9. blijven
10. gespannen
11. afzien van
12. het lot
13. vechten

Exercise 4
1. Sacha: vroeger, landsbelang
Sarah: nu, eigen belang
Axel: nu, eigen belang
2. het verleden was zo anders dan nu
3. ?
4. de verschillende nationaliteiten van de mensen
5. A
6. C
7. B
8. negatief, ze verliezen hun Afrikaanse achtergrond
9. genetische manipulatie

Exercise 5
A

Exercise 6
1. Ze heeft er genoeg van haar land afhankelijk van anderen te zien
2. B
3. feit
mening
4. D
5. openheid
luidruchtig en benauwend
6. geen vervuiling, weinig problemen als onveiligheid
7. D

Exercise 7
1. affaiblie, verzwakt
2. détruire, vernietigen
reconstruire, heropbouwen
3. indépendance, onafhankelijkheid
4. insouciance, onbezorgdheid
5. parfaire, verbeteren
6. malheureusement, jammer genoeg
7. compatriotes, landgenoten
8. insécurité, onveiligheid

Exercise 8
Politique-droit:
civil, burger
voter, stemmen
l’allocation, de uitkering
l’armistice, de wapenstilstand
l’assemblée, de vergadering
citoyen, burger
compatriote, landgenoot
constitution, grondwet
contrevenant, overtreder
électoral, verkiezings-
empereur, keizer
infraction, overtreding
judiciaire, rechterlijk
législation, wetgeving
royaume, koninkrijk
manifestation, demonstratie

arts-médias
l’audience, het publiek
le chœur, het koor
exquisse, schets
polar, politieroman
periodique, tijdschrift
palmarès, hitparade
tome, boekdeel
une critique, een commentaar
conte, verhaal
diffusion, uitzending
éditeur, uitgever
éditorial, hoofdartikel
chef d’œuvre, ?
à ne pas manquer, ?
le tirage, de druk
faire la une, ?

Exercise 9
1. actief, zijn vertrokken
2. passief, is vervoerd
3. passief, wordt gerestaureerd
4. actief, is geweest
5. passief, zal worden gerepareerd
6. passief, zijn ontvangen
7. actief, waren binnengekomen
8. passief, zullen worden gesloopt
9. passief, wordt beschouwd
10. passief, worden gedumpt

Exercise 10
1. hebben ons leven veranderd
2. inleiding
3. diepvriesproducten
koffiezetapparaat
panty
TV
Honden- en kattenvoer

Exercise 11
1. ?
2. A
3. goed te bewaren, handig, lekkerder
4. porties
5. ?
6. de geur, het instellen
7. C
8. le petit écran, la télévision, lucarne
9. ?
10. B
11. C

Exercise 12
1. E
2. L
3. A
4. B
5. J
6. C
7. G
8. K
9. F
10. I
11. H
12. D

Exercise 13
Onvolledig, klankstroom

Exercise 14
1. C
2. B
3. E
4. D
5. A

Exercise 15
nous sommes venus
vendredi
appartement

1. Ça ne marche probablement pas.
2. C´est le meilleur garçon de la classe.
3. On ne se décidera jamais.
4. Elle devait partir dans la semaine.
5. Est-ce que leur gouvernement donne de l´argent pour ce projet ?
6. la recherche
7. ne me prend pas

Exercise 16
1. D
2. D
3. C
4. E
5. B

1. C
2. B
3. E
4. D
5. A

Exercise 17
1. sois, soyez gentil, être, wees zo aardig om
2. aie l’amabilité de, ayez, avoir, wees zo vriendelijk om
3. sache que, sachez, savoir, weet dat
4. veuille, veuillez patienter, vouloir, heb geduld
5. transmets, transmettez ce message à, transmetter, geef deze boodschap door aan
6. réponds vite, répondez, répondre, antwoord snel
7. rappelle, rappelez plus tard, rappeler, bel later terug
8. choisis l’ature numéro, choisissez, choisir, kies het andere nummer
9. fais ce numéro, faites, faire, draai dat nummer
10. quitte, ne quittez pas, quitter, blijf aan de lijn
11. viens tout de suite, venez, venir, kom meteen
12. va, allez consulter le bottin téléphonique, aller, raadpleeg het telefoonboek
13. mets-toi, mettez-vous à ma place, mettre, verplaatst u zich in mij
14. rappelle-toi, rappelez-vous, se rappeler, herinnert u zich
15. ne te plains, ne vous plaignez pas, se plaindre, klaag niet
16. ?, ne vous inquiétez pas, s’inquiéter, maakt u zich niet ongerust

Exercise 18
1. hebben aangepast
2. zijn aanhangers
3. het verschil
4. overtuigingskracht
5. fuseren
6. een beroep
7. het ontstaan
8. het naakt
9. schadelijk voor
10. de strekking

Exercise 19
1. A
2. B
3. C
4. C
5. A

Exercise 20
1. schotelontvanger
A
2. C
B

Exercise 22
1. A
2. F
3. H
4. C
5. B
6. E
7. I
8. D
9. G

Exercise 23
1. antoniem, vroeger – later
2. antoniem, steun – verlaten
3. synoniem, ijver / kracht
4. antoniem, brutaliteit – vrees
5. synoniem, versieren
6. antoniem, blijvend – vergankelijk
7. antoniem, vrij in de omgang – plechtig
8. synoniem, wonder
9. synoniem, schaamte-
10. synoniem, hartverscheurend / pijnlijk

Exercise 24
1. <
2. p.e.
3. >
4. qn
5. ?
6. 1, 2, 3
7. à
8. c.à.d.
9. qch
10. !
11. ?
12. pq

Exercise 25
1. H
2. F
3. C
4. B
5. G

Exercise 26
1. B
2. A
3. A
4. B
5. B

Exercise 27
1. samedi
peu de gens
dans le bureau
pas de lait
ça se voit
il croit que tu es allemand
2. mercredi
pas mal de gens
sur le banc
par le train
il se voit
j’ai peur que tu ne reviennes jamais
3. la semaine passée, il est venu me voir quelques fois.
Je vous prie de m’envoyer le colis tout de suite.
Prenez un appartement dans le centre.
Il est arrivé de Marseille par le bus de neuf heures.

Exercise 28
1. E
2. A
3. C
4. B
5. D

1. A
2. B
3. D
4. E
5. C

1. C
2. A
3. B

1. F
2. E
3. B
4. H
5. G
6. C
7. D
8. A

1. C’est toi Guy ?
2. Ici Stefan.
1. Je vous écoute.
2. Que puis je faire pour vous ?
1. Ici monsieur Petit à l’appareil.
2. Je vous entends mal.
1. La ligne est occupée.
2. Cést noté.

Exercise 33
1. extrêmement
2. directement
3. correctement
4. lentement
5. personnel
6. confortable
7. certainement
8. difficile
9. exactement
10. ?
11. calme
12. mal
13. plein
14. heureux
15. ouvre
16. seule
17. seulement

Exercise 34
1. Toute la ville est présente; tous les habitants sont venu.
2. Je veux savoir tout ; chaque détail aussi.
3. Tous mes amis viennent mais quelques connaissances aussi.
4. Je connais tout le monde donc je sais tout.
5. Tu as lu chaque livre de Tim Krabbé ? Oui j’ai lu tout de lui.
6. Je reste quelque tempt peut-être même quelques jours.

Exercise 35
1. G
2. Q
3. L
4. D
5. O
6. I
7. F
8. N
9. J
10. K
11. A
12. H
13. B
14. C
15. R
16. E
17. P
18. M

Exercise 36
1. B
2. C
3. A
4. A
5. C
6. D
7. B/A
8. B
9. D
10. B
11. C
12. E
13. C
14. D
15. E

Exercise 37
1. bijv nw, oud
2. bijwoord, dadelijk
3. bijv nw, gemeenschappelijk
4. bijwoord, teleurgesteld
5. bijwoord, gewoonweg
6. bijv nw, gebruikelijk
7. bijv nw, onmisbaar
8. bijwoord, vroeger
9. bijv nw, helder
10. bijwoord, toch
11. bijwoord, zoniet
12. bijwoord, echter
13. bijwoord, erg
14. bijwoord, graag

_________________


Studenten december Image Banner 728 x 90
avatar
SoepVanDeDag
Admin

Aantal berichten : 290
Registratiedatum : 02-10-10
Leeftijd : 22
Woonplaats : Noord-Holland

Profiel bekijken

Terug naar boven Go down

Terug naar boven


 
Permissies van dit forum:
Je mag geen reacties plaatsen in dit subforum